GROETEN UIT LEIDEN – piet paaltjens

‘Op `t hoekje van de hooigracht
En van den Nieuwen Rijn,
Daar zwoer hij, dat hij zijn leven lang
Mijn boezemvriend zou zijn.

En halverwegen tusschen
De Vink en de Haagsche Schouw,
Daar brak hij, zes weken later zoowat,
Den eed van vriendentrouw.’

François HaverSchmidt studeerde theologie in Leiden (1852 – 1858). Hij was praeses van het Leidsche Studenten Corps – de huidige studentenvereniging Minerva – en schreef onder het pseudoniem Piet Paaltjens zijn bekende gedichten die werden gebundeld in ‘Snikken en grimlachjes’. Piet Paaltjens kom je overal in de stad tegen. Hij woonde in die tijd aan de Hooge Woerd 86 boven een ‘bidder’. Hij vereeuwigde zijn hospes in Immortelle XCVI: ‘Als ik een bidder zie loopen, Dan slaat mij ’t hart zoo blij. Dan denk ik, hoe hij ook weldra Uit bidden zal gaan voor mij.’

Aan de gevel van de ‘Haagsche Schouw’ waar hij afscheid nam van zijn vriend, is het vervolg van het gedicht op de plaquette te lezen. Niet ver weer van deze uitspanning aan de Oude Rijn, zit Piet Paaltjes al weer enige jaren (vanaf 1959) wat onderuit gezakt. Hij kijkt naar de voorbijgangers die van de ‘Vinex-wijk Stevenshof’ naar de binnenstad van Leiden gaan en hij houdt toezicht op het studentencomplex achter hem, gelegen aan het ‘Piet Paaltjenspad’.

Haverschmidt vond het verschrikkelijk toen hij weg moest uit Leiden omdat hij afgestudeerd was. Hij schreef aan een vriend over zijn laatste avond in Leiden, toen hij alleen door Leiden ging dolen en langs al de huizen liep waar zijn vrienden woonden of gewoond hadden:“Wat er in mijn hart omging? Ik kan het niemand zeggen. Ik gevoelde mij zo diep ongelukkig, dat het waarachtig was of mij het bonzend hart zou barsten in de boezem. Ik bad om tranen en ik kon niet wenen. Zie, ik had mij zo gans en al met ziel en lichaam verpand en verkocht en overgegeven aan het studentenleven en bovenal aan de vrienden die ik onder de studenten had gevonden, dat het voor mij was alsof ik moest sterven, neen, alsof ik levend zou moeten begraven worden, toen ik ook de laatste banden moest afsnijden, die mij hechtten aan mijn wereld.”

De bundel was een van de pareltjes op mijn boekenlijst van de middelbare school. De humor en vooral de melancholie sprak me als puber aan. Leiden kende ik van de logeerpartijtjes bij Oma in Oegstgeest. We stapten dan in het blauwe stadstrammetje van de NZH bij de beginhalte voor haar parochiekerk Willibrordus, om wat rond te wandelen in Leiden. Via de Rijnsburgerweg, waar ik later op nummer 28 mijn eerste studentenkamer had, en het Station stapten we uit op de laatste halte van de Breestraat, waar het trammetje de Hogewoerd inreed naar zijn eindpunt op de Hoge Rijndijk.

Wolkers schrijft voor mij ook zo herkenbaar over Oegstgeest en Leiden. Zijn boeken waren andere pareltjes op mijn boekenlijst. Oma kende het comistibeles winkeltje van zijn ouders in de Deutzstraat, maar kocht daar niets. Dat deed ze onder meer bij melkboer Menken aan de overkant, die ook zijn vaste plaats naast haar had in de kerkbank.

In Kort Amerikaans schrijft Wolkers over onze uitstapplaats: “Bij de laatste halte in de Breestraat stond hij te wachten, zoals hij op het papiertje dat hij zijn moeder had gegeven, geschreven had. Maar toen het trammetje eraan kwam stopte het niet. Er moest zeker niemand uit. Hij nam al aan dat zijn moeder de tram gemist had, toen hij haar ineens achter het raam zag zitten. Ze keek niet naar buiten. Ze zat in gedachten verzonken als een beeld. Achter de tram rende hij de Hogewoerd op. In de verte stopte de tram gelijktijdig met een uit tegenovergestelde richting. Hij zag zijn moeder uitstappen. Ze liep voor de andere tram om en ging die in. Dat kan zo uren doorgaan, dacht Eric, terwijl hij terug begon te lopen. Ze is volkomen in de war.

Oma en ik liepen dan handje in hand de Breestraat terug en het was een traditie om een kinderijsje en later een sorbet in de lunchroom op de bovenste verdieping van V&D te bestellen, een plekje met uitzicht over de stad. In het straatbeeld zag ik dan de zo herkenbare studentenhuizen en de studenten die kordaat rondstapten in hun sjofele driedelig zwarte pak met het ongestreken overhemd slordig uit de broek wapperend en de stropdas niet rechtgetrokken om de nek. Nooit opgemerkt met een schooltas op weg naar het college, waarvoor ze tenslotte naar Leiden waren gekomen, wist oma. Dan noemde ze de ‘eeuwige student.’ Ze hingen wat onderuit voor de deur van zo’n pand aan het Rapenburg of Papengracht.

Anno 2020 lijkt er zo op het eerste gezicht weinig veranderd te zijn, hoewel de ‘eeuwige student’ niet van alle tijden blijkt te zijn. Op 7 oktober 1960 verdween ook de Leidse stadstram uit het straatbeeld.

Ik ga nog eens rond in Leiden om deze blog nog wat aan te vullen met wat snap shots van het studentenleven.

  • EEN WANDELING DOOR LEIDEN

Mark Neuport, een Amerikaanse antropoloog, verbleef met zijn gezin een jaar in Leiden. Bij terugkomst in Amerika vroeg zijn zoontje: ‘Dad, where are the people?’ Hij antwoordde dat Amerikanen in de auto zitten. ‘What is life like in a city designed for people, not for cars? Dat laat hij zien in zijn documentaire Stories: a year of modern living in Leiden, the Netherlands. Filmed over the course of a year (2009-10), explores life in the walkable, livable city of Leiden, the Netherlands. Zijn ‘Cobblestone stories’ tonen de levendig ingevulde openbare ruimten van Leiden. In en om de historische gebouwen en nauwe steegjes schieten de fietsers langs elkaar heen op weg naar hun bestemming, kopen hun verse groenten op de gezellige markt aan de Rijn en zingen en hossen de Leyernaren op 3 oktober om te vieren dat het Spaanse beleg Leiden niet meer in de ban hield en verwelkomen ze in november de Sint die met zijn stoomboot uit Spanje aan de Haven aanmeert.

6 antwoorden op “GROETEN UIT LEIDEN – piet paaltjens”

  1. Ondertussen heb ik het bundeltje ‘Snikken en Grimlachjes’ van de boekenplank gepakt, sla het willekeurig open en lees de ode aan Rika. Ja, het is wel heel melancholisch en dramatisch, puberaal misschien?

    Aan Rika
    Slechts eenmaal heb ik u gezien. Gij waart
    gezeten in een sneltrein, die de trein,
    Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
    De kennismaking kon niet korter zijn.

    En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
    Het eindloos levenspad met fletse lach
    Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
    Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

    Waarom ook hebt gij van dat blonde haar
    Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
    Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
    Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

    En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
    En niet, als ’t weerlicht, ’t rijtuig opgerukt,
    En om mijn hals uw armen vastgekneld,
    En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

    Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
    Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
    Dan, onder hels geratel en gestamp,
    Met u verplet te worden door één trein?

    1. Dit doet me denken aan de contactadvertenties die vroeger in ‘Tussen de rails’ stonden. Maar ook, wat minder flauw, aan The Smiths:
      “And if a double-decker bus
      Crashes into us
      To die by your side
      Is such a heavenly way to die
      And if a ten ton truck
      Kills the both of us
      To die by your side
      Well, the pleasure, the privilege is mine”

  2. De Sterflat aan het Piet Paaltjespad.

    Na het eindexamen HBS ging ik met mijn tweelingbroertje naar Rome. Hij zat op de kweekschool en maakte een werkstuk over die stad. Op de plaatselijke camping op de Monte Antenne, in de buurt waar ook de Olympische spelen van 1964 zich hadden afgespeeld wisten we. Daar ontmoetten we een studentenstel uit Leiden. Zij waren met een lelijke eend naar de eeuwige stad gehobbeld. Ze bereidden voor ons een maaltijd van spaghetti en tomatensaus en flink wat knoflookteentjes. Ze waren daar zeer bedreven in, want dat recept was standaard op het menu van hun studentenflat. Terug van vakantie waren we bij ze uitgenodigd. Het adres? De Sterflat aan het Piet Paaltjespad. Dat was een nadere kennismaking met het studentenleven. Het was een passend treurige ontmoeting. De lelijke eend was op de terugweg bij Boom, halverwege Brussel en Antwerpen uitgevallen en niet meer aan de praat te krijgen. Al liftend bereikten ze uitgeput laat in de nacht Leiden. Direct na thuiskomst maakte zij hun relatie uit. Wij waren het nu, de drie jongens, die in het fusielokaal spaghetti met flink veel knoflook aten. Er werd weinig gesproken, wel veel gezucht.

  3. Mooie Leidse herinneringen! Mijn oudste herinnering aan Leiden gaat terug naar de 3 oktobervieringen die ik met mijn moeder in Leiden meemaakte. We gingen dan met de Blauwe Tram van Voorburg naar Leiden. Het was voor mij een echte feestdag. Eerst de optocht en dan altijd nog iets lekkers na en met de tram weer terug.
    Misschien ook aardig om te vermelden dat mijn voorouders ook Leidse roots hadden. Daar is nog wel een bijzonder verhaal aan verbonden. Mijn bet-bet overgrootvader was Stefan van Langen, de radicale democratische patriot die in 1798 deel uitmaakte van het Uitvoerend Bewind dat na een staatsgreep aan de macht kwam. Hij was geboren in Leiden op 2 april 1858 werd daar lakenfabrikant en had uit zijn tweede huwelijk twee kinderen: een zoon Cornelis Bernardus Carolus van, op het moment van zijn overlijden, 7 jaar en een dochter Cornelia die later met mijn betovergrootvader, Johannes Jacobus Hermans, zou trouwen. De zoon Cornelis kwam om bij de Kruitramp in Leiden van 12 januari 1807. Een schip, geladen met een explosieve lading van 369 vaatjes buskruit, was onderweg van de kruitfabriek in Ouderkerk aan de Amstel naar het landelijk munitiedepot in Delft. Het schip meerde midden in de stad aan bij het Rapenburg en de Steenschuur. De klap om 16.15 was zo luid, dat hij in Friesland zelfs te horen was, zo gaat het verhaal. Er kwamen wel 160 mensen om bij de explosie, voornamelijk vrouwen en kinderen, want de mannen waren op hun werk.. Er stonden destijds zes scholen in de omgeving van de Steenschuur. Op een van die scholen zat de broer van mijn betovergrootmoeder. Hij overleefde de ramp dus niet, maar zijn jongere zus die nog niet op school zat, wel.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *