GROETEN UIT LEIDEN – de herovering van de binnenstad

LEIDEN & SCHILDERWIJK: EEN VERGELIJK

LEZING VOOR EEN LEIDS HISTORISCH GEZELSCHAP 

De Historische Vereniging Oud Leiden (HVOL) vroeg mij een bijdrage te leveren aan het debat over de erfenis van het stedelijke beleid uit de periode 1965-1985. Met de vraag wat de beschermingswaarde is van het erfgoed uit die periode. Ik hoop met deze globale schets over die periode een bijdrage aan dit debat te leveren. Een periode die zich kenschets met een fysieke en een sociale omslag in het beleid van de naoorlogse stadsontwikkeling.

De Leidse Salon. 23 februari 2020 in de Leidse Lockhorstkerk.

WEDEROPBOUW EN CITY-VORMING

Tijdens de naoorlogse Wederopbouw werd de bestaande binnenstad als een steeds groter obstakel voor modernisering beschouwd. De Nederlandse binnensteden kenmerkten zich door verpaupering, leegstand en een schrale openbare ruimte. Jarenlang waren in het rijks-, maar vooral het gemeentelijk beleid de binnensteden en de vooroorlogse arbeiderswijken verwaarloosd. Bewoners trokken weg, althans de meest koopkrachtige, woningen verkrotten en monumenten stonden er slecht bij. Historische kademuren en bruggen bevonden zich in deplorabele staat, riolering ontbrak nog vaak. Grootschalige krotopruiming en sanering gaven in de jaren zestig en zeventig de toon aan. Soms werd de kaalslag ingevuld met cityvorming. Een bekend voorbeeld hiervan is Hoog Catharijne in Utrecht, waarvoor destijds een negentiende-eeuwse wijk gesloopt is om bouwgrond vrij te maken. Maar in die tijd verrezen in andere binnensteden zoals Den Haag en Leiden ook andersoortige iconen uit de bouwperiode 65-85. Aan de hand van twee cases, Leiden’s Pancras-Oost en de Haagse Schilderswijk, zal ik mijn karakterschets van die periode uit de stedelijke geschiedenis geven. Wijken ook waar ik actief bij betrokken was.

ANNO 1960

LEIDEN – PANCRAS-OOST

Het stadsdeel Pancras-oost stond te boek als één van de moeilijkste en ingewikkeldste vernieuwingsgebieden in de Leidse binnenstad. Het gebied was in de jaren 60 zo verkrot – niemand investeerde meer in dit gebied – dat er van de 656 panden 309 onbewoond waren. Het gehele middengebied was uitgehold door sloop, weggetrokken bedrijven en verkrotting.  Uit een gemeentelijke brochure uit 1964 valt te lezen: ‘Van het tussen de singels gelegen stadsdeel (bijna 200 ha) is vooral het oostelijk en noordelijk deel in verval geraakt. Het oudste stadsdeel, de kern van de stad dus, is vrij goed gebleven en heeft zich steeds langs de natuurlijke weg vernieuwd. De Universiteit bleek een sterke factor tot behoud. Maar van de 6300 woningen in de vol bewoonde binnenstad zijn er 3000 slecht. Hiervan zouden er zeker 1000 onbewoonbaar verklaard moeten worden. In deze binnenstad leeft 23% van de Leidse bevolking. Ook dit wijst op de noodzaak van een sanering op grote schaal.’

Foto archief HVOL.

Begin jaren zestig ging het eerste plan voor dit gebied uit van sanering, waarin de woningen moesten worden ‘geamoveerd’ om nieuwe economische vooruitzichten te scheppen. Pancras-Oost zou een handels- en kantorencentrum worden, uitstekend bereikbaar via de brede Ir. Driessenstraat. Parkeerruimten bij winkelconcentraties en ruimte voor verdere uitbreiding van city-functies. De woonfunctie was hierbij compleet ondergeschikt gemaakt. Voorbereidingen voor dit nieuwe centrumgebied werden getroffen zoals grondaankoop, sloop en het dempen van grachten. Hierdoor transformeerde de wijk langzamerhand in een kaalslag gebied. Wij zijn in de beginjaren 70 aangekomen.

DEN HAAG – SCHILDERSWIJK

In 1965 maakte de VPRO een tv-documentaire van de Haagse Schilderswijk . Het is een mooi voorbeeld van de stadsproblematiek van de jaren 60, waar slechte en te kleine huizen, sociale achterstand en desintegratie, armoede, prostitutie en criminaliteit aan de orde van de dag waren. Een ‘achterstandsbuurt’ werd in beeld gebracht. Alle aanleiding om beleidsmatig in te grijpen. (Om wat meer beeld te krijgen van deze wijk: zie de Blog ‘Groeten uit de Schilderswijk‘).

Foto: Adri Duivesteijn (eertijds aktievoerder)

In de plannen zou de Schilderswijk ‘van Grijs naar Groen’ verkleuren. Het ‘Verkeerscirculatieplan Binnenstad’ zou de binnenstad voor de auto bereikbaar maken. Het Spui kwartier, de Rivierenbuurt, het oude Centrum, de Stationsbuurt, het Kortenbos en de Schilderswijk zouden hiervoor grotendeels moeten worden geamoveerd, in die tijd een eufemisme voor slopen. Een vergelijkbaar plan was het Plan Duyff (1971) voor de Amsterdamse Dapperbuurt. Wat ondanks het achterstallige onderhoud voor bewoners vanzelfsprekend en vertrouwd was, brokkelde pandje na pandje verder af. Bewoners verhuisden, bedrijven verdwenen, de panden werden ontruimd en stonden vervolgens langdurig leeg, de gordijnen wapperden door de kapotte ramen totdat ze werden dichtgespijkerd of dichtgemetseld, om uiteindelijk te worden gesloopt. Wat overbleef waren  braakliggende terreinen die functioneerden als lokale vuilnisbelt. De ‘nieuwe Schilderswijk’ die dan de kaalslag zou moeten vullen toonden ruime zonnige flats met wandelgalerijen voor het winkelend publiek. Deze plannen gingen niet door wegens het verzet van de bewoners van de Schilderswijk die deze flats veel te hoog vonden en ook de huurprijs was voor hen niet op te brengen.

ANNO 1970

 ‘BOUWEN VOOR DE BUURT’

Begin jaren zeventig komt er een omslag in het denken. Het beleid verschuift van kaalslag, sanering en reconstructie naar herstel, behoud en verbetering. De stadsvernieuwing is geboren. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. Bewoners van oude stadswijken, in het bijzonder in Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, deelden met elkaar een gevoel van maatschappelijke achterstelling. De leus ‘Bouwen voor de Buurt’ verwoordde het protest tegen de stedelijke concepten van de politieke en bestuurlijke elites en was een pleidooi voor hun verwaarloosde buurtbelangen. De slogan drukte de woede uit en verbeelde de kracht van de oppositie tegen ondemocratische politieke besluitvorming. Bewoners hadden met hun acties hun buurt heroverd op een planningspraktijk die Cityvorming voorstond. 

Foto: Henk van Schagen.
Foto archief. TU Delft. Bouwkunde

De betrokkenheid van de bewoners werd een structureel gegeven en hun inbreng werd in intentie gelijkwaardig aan dat van de professionals. De ervaringsdeskundigheid van bewoners en professionele deskundigheid van ambtenaren werden samengebracht in buurtgerichte projectgroepen. Een nieuwe geschiedenis in de stedelijke geschiedenis werd hiermee geschreven; een trend voor de participatie in ruimtelijke en stedelijke planning is toen ingezet.

PANCRAS-OOST

Zoals gezegd was het plan was om dit Leidse stadsdeel als uitloper van de oostelijke binnenstad compleet te veranderen, maar door voortschrijdende inzichten werd de vernieuwing uiteindelijk een langdurig proces. Faludi &Hamnett (1978) beschreven dit proces uitvoerig. In 1970 ging een nieuw plan uit van woningen en hoogbouwflats, waarbij de oude grachten moesten worden gedempt. In 1974 werd wederom een nieuw plan gemaakt, nu onder de noemer van de stadsvernieuwing. Pancras-Oost werd na de nodige strubbelingen uiteindelijk in 1978 voorgedragen als ISR-vernieuwingsgebied. Tijdens het kabinet-Den Uyl werd in 1977 de Interim Saldo Regeling (ISR) van kracht. Onder deze regeling is een groot deel van de Nederlandse vooroorlogse woningvoorraad verbeterd of vervangen. Het Leidse stadsvernieuwingsplan was daarbij een van de grootste woningbouwprojecten in een binnenstad. Hiermee bleef het typische karakter van de Leidse binnenstad behouden en ging de discours niet meer over verkeersdoorbraken, grootschalige kantoorpanden, moderne winkelboulevards, parkeergarages en hoogbouwflats, maar over volkshuisvesting.

  • Faludi,A & S . L Hamnett (1978).Planning in onzekerheid, Samsom, Alphen aan de Rijn.

Het hoofddoel voor het noordelijk deel van de Leidse binnenstad was het terugbrengen van de woonfunctie. Relatief veel bedrijven moesten verplaatst worden ten behoeve van woningbouw in de sociale sector en voor gezinnen. Een geluk was dat de gemeente al aardig wat grond in bezit had, aangekocht in de jaren zestig voor een nooit uitgevoerde verkeersdoorbraak. In ruimtelijk opzicht werd voortgebouwd op het idee van hofjes en stegen. Het idee van de historische woonhof kreeg gestalte in het moderne woonerf, met dezelfde nadruk op beslotenheid en een centrale openbare ruimte. Gaten in de straatwand werden zorgvuldige opgevuld met woningen, verdwenen straathoeken kregen weer definiëring door kleinschalige nieuwbouw.

Uiteindelijk zijn in dit gebied 233 woningwetwoningen gebouwd met binnentuinen en dakterrassen waar bewoners elkaar gemakkelijk kunnen ontmoeten. Om een evenwichtige bevolkingsopbouw te creëren, bouwde men een grote diversiteit aan woningtypen door en over elkaar heen met bijvoorbeeld zowel één- en tweekamerwoningen (50 procent) als vijf- en zeskamerwoningen (24 procent). De buurt is een schoolvoorbeeld van de stadsvernieuwing van de jaren zeventig: goedkoop, klein, veel verschillende woningtypen en indelingen, veel publieke ruimten en gebouwd voor de buurt met 100 procent sociale huur. De planuitvoering werd destijds vol lof ontvangen en bekroond met een architectuurprijs.

PLAN ORANJEPLEIN

Het eerste project in de Schilderswijk bestond uit 444 woningen op de leeggekomen plek van de afgebroken broodfabriek van Hus. Het project was ontworpen door Henk van Schagen namens Van Tijen, en had als uitgangspunt de betaalbaarheid en er lag zodoende een sterke nadruk op kostenbesparing. Er werd een hoge dichtheid van 108 woningen per ha bereikt, zonder dat een dure parkeergarage nodig was. Het is gebouwd in drie en vier lagen zonder lift met een open portiek. De blokken zijn tegen elkaar geschoven zodat op de gesloten maar verspringende hoeken voortuinen ontstonden met erboven balkons voor de woningen, zonder open ruimte aan de achterkant. In het project zijn drie-, vier-, vijf- en zelfs zeskamerwoningen gebouwd. De huren bij aanvang waren gebaseerd op afspraken. Later zijn vergelijkingshuren ingevoerd en na vijf jaar – in 1982 –waren het de eerste projecten waarvan de huren werden geharmoniseerd.

Ook in andere delen van Den Haag, in steden als Rotterdam en Amsterdam denderde de op stoom geraakte stadsvernieuwingstrein door. De productie was op gang gekomen en deed hele steden van aanzicht veranderen. Als voorbeeld: In Rotterdam zijn vanaf 1974 een kleine honderdduizend woningen, bedrijfsruimten en winkels aangekocht. Het merendeel hiervan is gerenoveerd of gesloopt en door nieuwbouw vervangen. Deze operatie heeft in een looptijd van 23 jaar 71 duizend nieuwe of vernieuwde woningen opgeleverd: 32.000 nieuwe en 39.000 vernieuwde.

ANNO 1990 HERSTELWERKZAAMHEDEN

Prancas-oost was de eerste stadsvernieuwingswijk in Nederland waar na een aantal jaren al ingrijpende veranderingen werden aangebracht. Na de oplevering in 1977 deden zich direct al aanzienlijke onderhoudsproblemen voor. Naast problemen met de openbare ruimte waren er door de goedkope bouw grote bouwkundige problemen. In 1989 is er grootschalig onderhoud gepleegd, waarbij daken zijn vernieuwd, schilderwerk is uitgevoerd en houtrot is verwijderd, maar men bleef altijd nog te maken met vochtproblemen, asbest, beton- en houtrot. Het vroeg om ingrijpende vernieuwing die er gingen plaatsvonden, met delen die weer gesloopt werden en met nieuwbouw werd ingevuld.

  • Helleman, G. & F. Wassenberg (2001) stadsvernieuwingsbuurt tot herstructureringsbuurt?; bewonersonderzoek naar de toekomst van de Oranjegracht/ Waardgracht te Leiden. Delft: OTBouwstenen 75, Delftse Universitaire Pers.

VERNIEUWING

De ideeën voor de stadsvernieuwing werden in de jaren zeventig gevormd, de feitelijke productie kwam in de jaren tachtig goed op gang. Eind jaren 80, begin jaren 90 groeit in Nederland kritiek op de stadsvernieuwing. (Zie bijvoorbeeld: Ministerie van VROM(1997) Nota StedelijkVernieuwing. Den Haag: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. pp.75, e.v). In die tijd werden ook reparaties en zeker ook grootscheepse aanpassingen uitgevoerd om de gesignaleerde knelpunten van de eerste bouwstroom stadsvernieuwingsnieuwbouw op te lossen en waren lessen geleerd met de nodige consequenties voor het vervolg van de stadsvernieuwing.

De stedelijke ontwikkelingsgeschiedenis komt in de jaren negentig in een nieuwe fase. De fysieke vernieuwing laat zijn resultaten zien en krijgt zijn vervolg. Het straatbeeld, de sociale omgang en het gebruik van de openbare ruimte, krijgt beleidsmatig zijn aandacht. Als reactie op de onveiligheid die het gedrag van jongeren op de straat en pleinen oproept, het vuil op straat, de graffiti dat de nodige ergernis oproept, e.d. wordt een sociaal offensief ingezet door de beheerinstanties, van de woningcorporatie, de gemeente en het welzijnswerk. Een aantal trends die met de stadsvernieuwing zijn ingezet zoals de wijkaanpak en de bewonersparticipatie, worden verder ontwikkeld. Een aantal nieuwe trends worden ingezet die opkomen in die tijd. De volgende bestuurlijke en beleidsmatige trends kunnen onderscheiden worden: 

  • De eenzijdigheid van de stadsvernieuwing wordt doorbroken met de formulering van het Grote stedenbeleid, waarmee het wijkperspectief in een stedelijk perspectief geplaats wordt en de volkshuisvesting minder nadruk ten gunste van de economie en de  sociale sector;  
  • Het welzijnswerk krijgt een herwaardering;
  • Aanvullend aan de stadsvernieuwing komt de sociale vernieuwing op (zie noot 3);
  • Een integrale werkwijze krijgt zijn uitwerking, waarbij partnership uitgangspunt is (governance);
  • Het rijksbeleid wordt meer gedecentraliseerd, waardoor het lokale uitvoeringsniveau meer betekenis krijgt.

STADSVERNIEUWING ALS ‘KULTURELE AKTIVITEIT’

Ook in de Haagse stadsvernieuwing was er in de jaren 90 sprake van een omslag in de uitvoeringspraktijk. Adri Duivesteijn, toen verantwoordelijk wethouder voor de Haagse stadsvernieuwing, kwam met ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’. Nederland ging gebukt onder wat hij noemde ‘een crisis in de architectuur’.  Hele wijken waren volgezet met flats en rijtjeshuizen in treurigstemmende betonsnit. De (zelf) kritiek op de stadsvernieuwing van toen betrof o.a. het conserverende karakter van de stadsvernieuwing, zowel in stedenbouwkundige en architectonisch opzicht als wat betreft instandhouding van achterstandsstructuren. ‘Stadsvernieuwing was teveel verworden tot een behoedzame omgang met de problemen van vandaag, terwijl er dringend behoefte was aan visie op de stad in de toekomst, op de toekomst van de stedelijke cultuur. In plaats te reageren op bedreigingen zou gebouwd moeten worden aan ‘een optimistische samenleving’. Uitspraak van Adri Duivesteijn gedaan in een interview met Eveline Brandt. De Groene Amsterdammer. ‘De rode bouwmeester’. 19-06-1996. (Over deze vernieuwende interventie: zie Blog ‘Stadsvernieuwing als ‘Kulturele Activiteit’)

‘BOUWEN VOOR DE BUURT’ WERD ‘BOUWEN VOOR DE STAD’

Gedurende de jaren 90 probeert men door middel van duurdere nieuwbouw de hogere inkomens aan de stad te binden. Jarenlang waren die gedwongen te verhuizen naar elders, omdat zij niet in aanmerking kwamen voor de talrijke goedkope huurwoningen in de (binnen) stad. Deze selectieve uitstroom had negatieve gevolgen, zoals een verminderd draagvlak voor stedelijke voorzieningen en de ruimtelijke segregatie van arm en rijk. In de terminologie van toen heette dat in de ‘eenzijdig samengestelde’ wijken wooncarrières mogelijk gemaakt moesten worden. Bouwen voor de zittende buurtbewoners werd ‘bouwen voor de stad’; bouwen voor bewoners die anders zouden vertrekken of zich niet zouden vestigen in de stad. De vernieuwende manier van denken noodzaakte ook een herdefiniëring van de positie van de bewoners in het planningsproces. Nieuwe strategieën werden bedacht om ‘ingedutte’ participatievormen te vervangen door vormen van actief burgerschap. Over die periode valt veel te vertellen, maar dat valt buiten het bestek van deze schets van de bouwperiode 1965-1985. In die tijd komt ook een sociaal offensief van de grond om achterstand en een mogelijk maatschappelijke tweedeling tegen te gaan: de sociale vernieuwing.

ANNO 2020: EEN BEDREIGD SOORT?

Erfgoedvereniging Heemschut en architect en buurtbewoner Claudia Frankenreiter uit Geuzeveld zijn verontwaardigd, zo lees ik in het Parool op 5 juni 2019.  Waar gaat hun verontwaardiging over? De Amsterdamse woningcorporatie Stadgenoot gaat de karakteristieke Dudok- en Van Tijen-portiekwoningen uit de jaren 70 slopen. Ik ken dat type woningen uit de Schilderswijk, het Plan Oranjeplein. Wat verdwijnt met dit erfgoed uit die jaren en wat komt er voor nieuws op die plek terug? Wat zeker verdwijnt is een wijk uit de wederopbouwperiode, ontworpen in de geest van toonaangevende architecten zoals Jaap Bakema. Dudok en Willem van Tijen. Terugkomt zegt de woningcorpatie: “Wij gaan van 146 naar 177 woningen. Die worden ruimer en lichter. Het voordeel van nieuwbouw is dat we van het aardgas af kunnen”. Soms moet je durven te slopen om meer kwaliteit te krijgen. Deze stelling van de woningcorporatie wil ik meegeven aan de discussie.


NOTEN:

(1) In de andere inleiding bij deze Leidse Salon presenteerde Judith van Hoogdalen een aantal aansprekende projecten uit die bouwperiode, die in de gemeente Den Haag (Afdeling Monumentenzorg & Welstand) zijn geïnventariseerd.

  • Hoogdalen, Judith van & Botine Koopmans (2019). POST 65. 1965-1995. Architectuur in Den Haag.

(2) Ik schreef een blog over ‘Stadsvernieuwing als Kulturele Aktiviteit’. Hierin worden wat andere resultaten van deze Haagse interventie uitgewerkt, waar spraakmakende architecten hun stempel zetten in de stad, zoals Richard Meier bij het Haagse stadhuis, Charles vandenHoven in het stationskwartier, Jo Coenen op de Vaillantlaan en Alvaro Siza op verschillende plekken in de Schilderwijk.

(3) De sociale vernieuwing is op landelijk niveau in een stroomversnelling geraakt toen het kabinet Lubbers-Kok besloot dit beleid als boegbeeld van haar regeringsperiode naar buiten te brengen. De rijksoverheid heeft het beleid vervolgens in de nota Sociale vernieuwing: opdracht en handreiking (TK 1989/1990) uitgewerkt. De invulling en uitvoering van de sociale vernieuwing was de verantwoordelijkheid van gemeenten. Langs drie cirkels – arbeid, scholing en inkomen, dagelijkse woonomgeving, en verbetering van de zorg – moest integraal beleid ontwikkeld worden. Nadruk lag daarbij op het tegengaan van de verloedering en de vervuiling van de woonomgeving, het ‘wegscholen’ van mensen uit de werkloosheid en het daardoor verbeteren van hun inkomenspositie en het vergroten van de klantvriendelijkheid en de efficiency op het gebied van de dienstverlening. 

  • Pennen, Ton van der, et. al. (1998). Sociale vernieuwing: van plan naar praktijk. Een onderzoek naar de voorwaarden voor een effectief lokaal achter- standsbeleid. Rijswijk, Sociaal en Cultureel Planbureau.

2 antwoorden op “GROETEN UIT LEIDEN – de herovering van de binnenstad”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *