VAN DE STRAAT – terrascultuur

In het debat over versoepeling van de coronamaatregelen trekt het terras vaak de aandacht. ‘Het terras is de metafoor bij uitstek van vrijheid’, zegt stadsgeograaf Irina van Aalst. ‘Hier wordt de heropening van de samenleving voor het eerst zichtbaar.’

Hoe kon op een terras zitten bijna een eerste levensbehoefte worden? 

Een glas drinken op een terrasje is al jaren lang dé manier om te genieten van een heerlijk rustmoment. Kort na de Eerste Wereldoorlog doken in Parijs de eerste terrassen op. Het waren plaatsen waar men even de tijd nam om rustig te genieten van het moment en het leven in de stad gade te slaan. Een open en tegelijk besloten plek om te praten of weg te dromen, alleen, met vrienden of collega’s.

  • VRIJHEID

In betrekkelijk korte tijd heeft het terras zich ontwikkeld tot levensbehoefte voor veel mensen. Dit hangt samen met de ontwikkeling van de (binnen-) steden van productie- tot consumptiecentra – die al bijna dertig jaar geleden is ­beschreven door stadssocioloog Jan Oosterman in zijn proefschrift ­Parade der Passanten. Waar stedelingen hun schaarse vrije tijd vroeger binnenshuis, in parken of aan de groene randen van de stad doorbrachten, zijn ze dat vanaf de jaren zeventig toenemend ín de steden gaan doen. Op de straten die eerder het domein waren van automobilisten, op de pleinen die er buiten de weekmarkten nog verlaten bij lagen, en langs grachten die ternauwernood voor asfaltering waren behoed.’

  • OVERGANGSZONE

‘Het terras is de overgangszone tussen de private ruimte van een café en restaurant, en de openbare ruimte op straat. Binnen heersen sociale conventies, zit een bepaald publiek en geeft de uitbater blijk van zijn persoonlijke muziekvoorkeuren. Maar het terras is een semipublieke ruimte, waar de diversiteit iets groter is, waar de mensen zich meestal korter ophouden dan binnen, maar waar je toch onderdeel bent van een vluchtige groep. Je zit er alleen, of met een paar andere mensen, maar je bent er ook samen. Het is een plek van unfocused interaction, zoals de socioloog Erving Goffman het uitdrukte. Een plek waar je onnadrukkelijk met elkaar verblijft. En vanaf die veilige plek, om deze zo maar te benoemen, kun je zonder gêne naar passanten kijken in de wetenschap dat je zelf ook wordt bekeken.’

  • GEOORLOOFD VOYEURISME

Om het in de woorden van Oosterman te formuleren: het leven is een schouwspel, en op het terras heeft men de beste zitplaatsen. ‘Het terras maakt je letterlijk lid van een menigte, maar doorbreekt niet de zelfgekozen afzondering’, schreef Hugo Camps. En als onderdeel van die ­menigte kan je ook een ‘groot terrasgeluk’ ten deel vallen: ‘het ongewild afluisteren van gesprekken, die altijd gefluisterd worden, maar nooit intiem zijn.’ Het terras is een plek van geoorloofd voyeurisme.

Terras van Café Americain in Amsterdam (1953). Foto Herbert Behrens/Anefo/Nationaal Archief
Terras bij Amsterdam Centraal Station. ‘Op een terras kun je tonen dat je niet hoeft te werken en dat het je goed gaat.’ Beeld ANP / Maria Austria Instituut

Zo beschouwd is de terrascultuur onderdeel van de slag om de openbare ruimte. In Den Haag – de stad met de grootste terrassen in Nederland – begon die slag omstreeks 1830 heel voorzichtig met pogingen van de leden van (heren-) Sociëteit De Witte, aan Het Plein, om aan de voorzijde van hun voorname onderkomen een bank te plaatsen. Hoewel het plan enige bijval kreeg in de Tweede Kamer, stemde het college van Den Haag er niet mee in uit beduchtheid voor de hinder die ‘fatsoenlijke vrouwen welke langs dien weg verplicht zijn te gaan’ zouden kunnen ondervinden van uitbundige sociëteitsleden. De bank kwam er dus niet, maar dertig jaar laten mochten de heren van De Witte wel enkele stoeltjes en tafeltjes op het Plein plaatsen waar zij ‘comfortabel hun bittertje of koffie konden gebruiken’. Niet lang daarna werd aan de overzijde van Het Plein een terras ingericht, spoedig gevolgd door vergelijkbare ‘plekken ter verpoozing’ elders in Den Haag.

Na de Tweede Wereldoorlog leek de teloorgang van de elitaire terrascultuur nabij. In het ideaal van de functionele stad was weinig aandacht voor terrassen in de binnenstad. Recreatie werd aan de rand van de steden gepland, waar grote parken met kanovijvers ontstonden. De rest van de stad was vooral aan het steeds toenemende autoverkeer toebedacht. Ze bouwen de sfeer de stad uit, zei sociaal-geograaf W.F. Heinemeyer eens over Amsterdam. Omstreeks 1970 volgt de kentering. “Sociologen gingen zich bemoeien met de stadsbouw”, zegt de Rotterdamse stedebouwkundige K. Hage. In het stedebouwkundige jargon duiken termen op als leefbaarheid, ‘functiemenging’ en verblijfsklimaat. Straten worden ingericht als voetgangersgebieden, bedoeld om te flaneren. De horeca krijgt de ruimte. Ontmoetingen tussen culturen en klassen zouden onder het genot van een frisse consumptie op het terras beter verlopen.

Nergens in Noord-Europa zijn zoveel terrassen als in Nederland. Het aantal terrasvergunningen is sinds 1965 vervijfentwintigvoudigd tot ruim zestienduizend. Zo massaal besteden mensen hun vrije tijd ‘in de stad’, dat binnensteden transformeren tot ‘openluchtsociëteiten’. “Daar waar alles zont en zuipt”, zei Remco Campert al eens. De volkstuin, het sportveld of het natuurgebied is voor de moderne mens geen alternatief. Het nietsdoen in het openbaar, zichtbaar op straat, temidden van onbekenden, heeft zijn eigen charmes. (Sander van Walsum. Volkskrant, 20 april 2021).



  • IN GESPREK MET BERT HERMANS – liefde op het terras

“Mijn terras herinnering gaat terug naar de jaren zestig waar ik op het terras van de Heuvel in Tilburg mijn toenmalige echtgenote heb leren kennen. Ik ging daar vaak met vrienden op het terras koffie of een pilsje drinken en op een mooie zomerdag ontmoette ik daar mijn nieuwe liefde en haar vriendin. Ik was er met mijn schoolvriend Hans en we werden allebei verliefd op hetzelfde meisje: Ingrid. Zij was daar met haar beste vriendin die later in Frankrijk is gaan wonen en daar in Parijs met een Fransman is getrouwd. Ingrid koos voor mij en met mijn vriend Hans liep (mede daardoor?) de vriendschap uiteindelijk spaak. Mijn ex-echtgenote is inmiddels overleden, maar met haar beste vriendin heb ik nogsteeds een goed contact en wij zij zijn nu goede vrienden geworden, Ik zoek haar en haar nieuwe vriend nu regelmatig op in midden Frankrijk en dan halen we onder het genot van een heerlijk glas wijn de mooie herinneringen op aan onze eerste ontmoeting op het terras van de Korenbeurs in Tilburg.”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *